Steen #5: het einde dat niemand wilde horen.

Steen #5: het einde dat niemand wilde horen.

Peter Hofland


Steen #5: het einde dat niemand wilde horen.

De vijfde steen wordt geworpen door de oudtestamentische profeten, en daarmee is het ook geen kiezelsteentje geworden.

Is het je wel eens opgevallen hoe zionisten ons voorhouden alsof de Joden dezelfde God als wij, christenen, hebben?

Maar hoe werkt dat?

Jezus zei: Ik en de Vader zijn Eén (Joh. 10:30).

Wie Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien (Joh. 14:9).

Als jullie de Vader zouden geloven, ZOUDEN JULLIE IN MIJ GELOVEN, maar jullie zijn van jullie vader, de duivel (Joh. 8:42–44).

Wie is dan diezelfde God waarin wij zouden geloven?

Jezus zei dat Hij niet kwam om de wet en de profeten (het Oude Testament) af te schaffen, maar om te vervullen (Mat. 5:17).

Na Zijn opstanding herhaalde Hij deze gedachte door Zijn discipelen uit te leggen dat het Oude Testament naar Hem wees (Luc. 24:27, 44).

En zoals we zullen zien, heeft het Oude Testament uiteindelijk geen andere boodschap. Ook al was die boodschap nog bedekt en in schaduwen gehuld, toch staat zij er duidelijk (Kol. 2:17; Hebr. 10:1).

Wanneer we luisteren naar wat de profeten zeggen, zien we helder dat de “eindtijd” in hun spreken niet duidt op het einde van de wereld, maar op het einde van de verbondsrelatie van Israël — het oude verbond (Hebr. 8:13).

In de laatste dagen van dat oude verbond zou God een nieuw verbond oprichten (Jer. 31:31–34). Hij zou Zijn Koninkrijk vestigen, en de berg van de HEER (Sion, Hebr. 12:22) zou vaststaan boven alle andere bergen (Jes. 2:2).

Maar het verhaal begint bij Abraham, of beter gezegd bij Adam. Na de val van Adam beloofde God herstel: de macht van de zonde en satan zou gebroken worden (Gen. 3:15). Dat was het doel vanaf dat moment: herstellen wat verloren was gegaan (Rom. 5:18–19). Het einddoel was niet het oprichten van een natiestaat met gelovigen.

Om Gods plan van herstel uit te werken, sloot God verbonden: eerst met Adam (Gen. 3:15), later met Noach (Gen. 9:8–17) en daarna met Abraham (Gen. 12:1–3). In het verbond en de belofte die God met Abraham maakt, komt ook opnieuw Zijn doel naar voren: Ik zal door u alle volken zegenen (Gen. 12:3).

Op dit moment bestond het volk Israël nog niet, en God maakte duidelijk dat Hij alle mensen wil zegenen, omdat alle mensen van Adam afstammen en alle mensen herstel nodig hebben (Rom. 5:12).

Paulus verwoordde het zo: “Aan Abraham werd eertijds het evangelie verkondigd toen Hij zei: in u zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden” (Gal. 3:8).

En hij is daar heel expliciet in dat het verbond met Abraham ALLEEN wees naar Christus als zijnde het Nageslacht, enkelvoud. (Gal.3:16)

En herhaalt hij het inzicht dat het verbond van Abraham gemaakt werd ‘met het oog op Christus’. (Gal.3:17)

5f2729ad c551 47e4 9d76 635a06c10b2e

En werd de zegen van de Heilige Geest verbonden aan de zegen van Abraham (Gal. 3:14). De inwoning van de Geest van God in de gelovige is het beloofde herstel (Rom. 8:9–11). Door de Geest kunnen we God leren kennen (1 Kor.2:10,11), en Hem kennen noemt Jezus het eeuwige leven (Joh. 17:3).

Maar van Abraham (Adam) tot de Messias was nog een hele reis (Gal. 4:4). God zonderde door Abraham een volk voor Zichzelf af om door hun geslachtslijn de Messias de wereld in te brengen (Rom. 9:4–5). Het volk en de wet waren niet het doel, maar het middel (Gal. 3:24). 

Het doel was om alle mensen door het evangelie te herstellen in relatie met God (Ef. 2:14–16).

Het middel om dat volk apart te zetten (te heiligen) was de wet van het verbond dat God met het volk sloot door Mozes op de berg Sinaï (Ex. 19:5–6; 24:7–8).

Dat dit een tijdelijk verbond was, blijkt niet alleen uit meerdere uitspraken van de profeten, maar wordt al zichtbaar in Mozes zelf, die het falen van het volk en de noodzaak van een innerlijke vernieuwing aankondigt (Deut. 30:6; 31:16–29; 32:5).

De duidelijkste, en misschien een van de bekendste daarvan, komt van de profeet Jeremia, die zei: Ik zal een nieuw verbond maken met het huis van Israël, NIET ZOALS het eerdere verbond bij de berg Sinaï (Jer. 31:31–32).

Dat dit een tijdelijk verbond was, blijkt niet alleen uit Jeremia. Jesaja spreekt over een systeem waarin God geen behagen meer heeft in offers (Jes. 1:11), en wijst vooruit naar een nieuwe schepping en een licht voor alle volken (Jes. 49:6; 65:17). Ezechiël gaat nog verder en kondigt een radicale vernieuwing aan: niet langer de uiterlijkheden, maar een nieuw hart en Gods Geest in de mens zelf (Ez. 36:26–27), en een nieuw, eeuwig verbond (Ez. 37:26).

Het verbond dat op de berg Sinaï werd gesloten, was een huwelijksverbond en sinds die tijd werd het volk Israël ook afgebeeld als de vrouw van God (Jer. 2:2; Ez. 16:8). Vooral bij de profeet Hosea komt dit beeld sterk naar voren (Hos. 1–3).

In het Oude Testament lezen we dat er een moment kwam waarop God Zich losmaakte (scheidde) van de tien noordelijke stammen vanwege hun overspel van hardnekkige afgoderij en zonde (2 Kon. 17:6–18; Jer. 3:8).

De profeet Amos zegt het onomwonden:

“Gevallen is de maagd Israël, zij zal NIET meer opstaan.”

— Amos 5:2

Ook bij Hosea zien we dit oordeel terug. Israël wordt “Lo-Ammi” genoemd — niet Mijn volk (Hos. 1:9). God scheidt Zich van het noordelijke rijk. Het tienstammenrijk zou niet meer opstaan als verbondsnatie in zijn oude vorm.

Maar God kon (nog) niet scheiden van Juda. Niet omdat Juda beter was — ook zij vervielen in afgoderij (2 Kon. 21:11–15, Jer.3:8) — maar omdat God een doel voor ogen had. Zijn belofte moest vervuld worden. De Messias moest nog komen (Gen. 49:10!).

Hosea profeteert dat zij zich in latere dagen zullen bekeren en “David, hun koning” zullen zoeken (Hos. 3:5). Dat is geen verwijzing naar de historische David, maar naar de Messias — Jezus Christus, de Zoon van David (Mat. 1:1).

Toen Hij kwam, kreeg Israel als eerste de kans om herstelt te worden.(Mar.1:15)

Daarom bleef God trouw aan Juda, het tweestammenrijk. Door Juda heen zou de Messias in de wereld komen (Micha 5:1). Dat was het doel van die stam.

Niet alleen de verlosser van Israël, maar van de hele wereld (Joh. 4:42).

Zoals geschreven staat:

“Het is te gering dat U voor Mij een Knecht zou zijn om alleen de stammen van Jakob op te richten…

Ik zal U stellen tot een Licht voor de volken, om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde.”

— Jesaja 49:6

En juist in dat kader moeten we luisteren naar de profeet Daniël.

In het laatste hoofdstuk van Daniël zegt de engel tegen hem dat het visioen bestemd is voor “de tijd van het einde” (Dan. 12:4).

Niet het einde van de tijd, maar de tijd van het einde.

Maar welk einde?

Daniël verduidelijkt het: het zal de tijd zijn “wanneer de macht van het heilige volk stukgeslagen wordt” (Dan. 12:7).

In de Schrift worden slechts twee groepen expliciet als heilig volk aangeduid: Israël onder het oude verbond (Ex. 19:6) en de gemeente van Jezus Christus onder het nieuwe verbond (1 Petr. 2:9). Maar Daniël had eerder al geprofeteerd dat het koningschap dat aan de heiligen gegeven wordt, nooit meer zou vergaan (Dan. 7:27). Dat Koninkrijk is eeuwig.

Daarom kan het verbreken van de macht van het heilige volk niet slaan op het eeuwige Koninkrijk van Christus (Hebr. 12:28).

Het kan daarom alleen verwijzen naar het oude verbondsvolk, wiens macht lag in hun verbond (hun verbinding met YAWEH) en het onderhouden van dat systeem: de tempel, het priesterschap, de offers, de wet (Hebr. 9:1–10).

Deze profetie van Daniel komt overeen met de woorden die Jezus tot de leiders ( de vertegenwoordigers ) van Israël sprak : ‘daarom zal het Koninkrijk van jullie wegnomen worden (einde) en aan een volk gegeven worden die de vruchten er wel van voortbrengt’ (Mat.21:43)

Dat einde vond zijn concrete, historische vervulling in de val van Jeruzalem en de verwoesting van de tempel in het jaar 70 n.Chr., zoals Jezus had voorspeld (Mat. 24:1–2; Mar. 13:1–2; Luc. 21:5–6).

David Roberts   The Siege and Destruction of Jerusalem by the Romans Under the Command of Titus, A.D. 70

Toen de tempel werd vernietigd, kwam er een definitief einde aan de wet als verbondssysteem en aan het offeren (Hebr. 10:11–14).

Het was al buitenspel gezet door Jezus’ offer aan het kruis en Zijn opstanding uit de doden (Hebr. 9:12), maar de tempel was nog steeds in gebruik (Hand. 21:26).

Wat plaatsvond met de verwoesting van Jeruzalem en de tempel was geen toeval, maar voltooiing: alles werd vervuld in en door Christus (Luc. 21:22).

Dat is ook wat Jezus Zijn discipelen liet zien na Zijn opstanding. Hij opende hun verstand en liet hun zien dat alles wat geschreven stond in de Wet van Mozes, de Profeten en de Psalmen, op Hém betrekking had (Luc. 24:44–45).

Niet op een toekomstige politieke natiestaat. Maar op Hem alleen. (Joh.6:15)

Hij hoort op het voetstuk. Hij alleen (Hand. 4:12).

De Bijbel wijst niet naar een etnisch project, maar naar de Koning en Zijn Koninkrijk (Joh. 18:36). Naar Jezus Christus. En alles wat daarvan afleidt, alles wat een andere hoop, een ander middelpunt of een ander einddoel presenteert, is afgoderij (Kol. 2:8, 1 Joh.5:21).

De schaduw is verdwenen, omdat het Licht is gekomen (Joh. 1:9; Kol. 2:17). Het oude is voorbijgegaan (2 Kor. 5:17).

Wij leven onder de nieuwe open hemel (Jes.65:17, Mat.3:16) van het nieuwe verbond — het Koninkrijk van God, dat nooit wankelt (Hebr. 12:28).

De Messias zou niet slechts Israël herstellen, maar een Licht zijn voor alle volken (Jes. 49:6).

Dat vond zijn vervulling in de bediening van Jezus Christus (Mat. 4:14–16). Hij kwam niet om een aards nationalistisch project te vestigen, maar om de Wet en de Profeten te vervullen. Elke jota en elke tittel werd vervuld in Hem (Mat. 5:17–18).

De Heer Jezus maakt dit duidelijk met Zijn laatste woorden waar Hij zegt; Gaat dan heen en maakt alle volken tot Mijn discipelen. (Mat.28:19)

In Christus werd het oude verbond tot zijn doel gebracht (Gal. 3:24). Wat schaduw was, werd werkelijkheid (Kol. 2:17). Wat tijdelijk was, werd voltooid (Hebr. 8:13).

En zo bracht Hij een nieuwe open Hemel waaronder wij nu leven: het nieuwe verbond, het Koninkrijk van God — niet beperkt tot één etnisch volk, maar geopend voor allen die geloven (Ef. 2:19).

De trouw van God bleek niet in het in stand houden van het oude systeem of een etnisch volk, maar in het vervullen van Zijn belofte in Christus (2 Kor. 1:20).

Het oude verbond was niet het doel, maar een tijdelijk, door God ingesteld systeem dat noodzakelijkerwijs moest verdwijnen toen de werkelijkheid — Christus — kwam.

Wie terugkeert naar Israël, verlaat Christus.
Niemand kan twee heren dienen.

Alles wees vooruit naar Hem (Luc. 24:27; Hebr. 10:1), en alles heeft zijn vervulling gevonden in Hem (2 Kor. 1:20; Kol. 2:17).

Het oude is voorbijgegaan (2 Kor. 5:17), de schaduw is verdwenen, want de werkelijkheid is Christus.

Hij is de inhoud, het doel en de vervulling van alle dingen.

Hij is alles en in allen (Kol. 3:11), want uit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen (Rom. 11:36).

Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid. Amen.


Reageer op deze post